Historisch en Genealogisch onderzoek in en over de Franse Nederlanden
Overzicht
- Het gebied
- Beknopt historisch overzicht
- Contacten blijven bestaan
- Bibliografie
- Belgische rijksarchieven
- Franse archieven
- Archives départementales du Nord
- Enkele toekomstperspectieven
Als archivaris heb ik zeer regelmatig te maken met correspondenten uit Noord-Frankrijk die op zoek zijn naar hun Vlaamse roots en, zeker tijdens de vakantieperiodes, worden de leeszalen van de Rijksarchieven druk door Noordfransen bezocht. Het omgekeerde doet zich voor in de Archives Départementales du Nord te Rijsel: wanneer je als bezoeker plaats neemt in de indrukwekkende leeszaal in de Rue Saint-Bernard ontmoet je er bijna steeds Vlamingen die druk doende zijn met een of ander historisch of genealogisch onderzoek. Deze vaststellingen hoeven eigenlijk helemaal geen verwondering: de geschiedenis van Vlaanderen en Noord-Frankrijk is zeer sterk met mekaar verbonden en de emigratie van Vlamingen naar de Noordfranse industriecentra heeft in de 19de eeuw zeer grote proporties aangenomen. Vlamingen en Noordfransen zijn in wezen geen echte vreemden voor mekaar en historisch en genealogisch onderzoek over de grenzen heen is eigenlijk een evidentie. Toch is het duidelijk dat zich bij dit onderzoek een aantal problemen kunnen voordoen. Er is vooreerst, zeker wat de Noordfransen betreft, de taalbarrière: vandaag de dag wordt de Vlaamse volkstaal in Noord-Frankrijk nog door ca. 80000 mensen gesproken, maar bij historici en genealogen wordt vaak een schrijnend gebrek aan kennis van die taal vastgesteld. Het is niet de bedoeling van deze lezing hier verder bij stil te staan. Veeleer willen we aandacht besteden aan een tweede moeilijkheid, die eerder van heuristische aard is en zich meer specifiek voor de Vlaamse onderzoeker stelt: welke bibliografische en archivalische bronnen zijn er?, waar en hoe kunnen ze worden geraadpleegd? enz.
Laat ons duidelijkheidshalve eerst het gebied afbakenen waar we het deze avond over zullen hebben. Zowel over de terminologie als over de geografische omschrijving van de Franse Nederlanden bestaat helemaal geen eensgezindheid. Frans-Vlaanderen, Zuid-Vlaanderen, Maritiem Vlaanderen enz. worden naast en door mekaar gebruikt, maar kunnen we bezwaarlijk als correcte termen beschouwen. Wij houden het bij: de Franse Nederlanden. Nemen we de term in zijn meest pure betekenis, met name de streek in het huidige Frankrijk waar tot op de huidige dag sporen van verbondenheid met de Nederlandse taal en cultuur terug te vinden zijn , dan dienen we ons te beperken tot het nog gedeeltelijk Nederlands sprekende gebied tussen de Noordzee, de A en de Leie, de Franse Westhoek met Duinkerke en Hazebroek als voornaamste centra; historisch gezien gaat het om de voormalige kasselrijen Belle, Kassel, Broekburg en Sint-Winoksbergen. Dit is ontegensprekelijk een te enge benadering. Wetenschappelijk onderzoek heeft inderdaad aangetoond dat er een scheidingslijn kan worden getrokken van Montreuil tot Rijsel die in belangrijke mate overeenkomt met de vroegmiddeleeuwse taalgrens. Het gebied dat zich benoorden deze scheidingslijn bevindt kan als de Franse Nederlanden worden beschouwd. Meer zuidelijk gelegen gebieden, tot de Somme, hebben weliswaar een historische lotsverbondenheid met het oude graafschap Vlaanderen, maar de culturele- en taalverbondenheid is veel minder of helemaal niet meer aanwijsbaar. De Franse Nederlanden maakten tot diep in de 17de eeuw deel uit van het oude graafschap Vlaanderen. Uiteindelijk zou het ten prooi vallen aan de wrede veroveringspolitiek van de Franse koning Lodewijk XIV, die streefde naar een machtig rijk binnen zogenaamde "natuurlijke" grenzen. Het verdrag van de Pyreneeën van 1659 was een eerste gevoelige aderlating omdat toen bijna geheel Artesië verloren ging, dat van oudsher een bolwerk was geweest tegen de vijand uit het zuiden; ook de kasselrij Broekburg en Grevelingen werden toen door de Fransen ingepalmd. Enkele jaren later, in 1662, volgden Duinkerke en Mardijk. Bij de vrede van Aken van 1668 moesten ook volgende gebieden aan Frankrijk worden afgestaan: Waals-Vlaanderen met de kasselrijen Rijsel, Dowaai en Orchies en de kasselrijen Sint-Winoksbergen, Veurne, Oudenaarde en Kortrijk. In die jaren was ook de Republiek der Verenigde Provinciën rechtstreeks bedreigd. Bij de vrede van Nijmegen, in 1678, gingen ook de kasselrijen Kassel en Ieper aan Frankrijk verloren. Bij de vrede van Utrecht, in 1713, konden weliswaar een aantal gebieden worden teruggewonnen, maar het zuidelijkste deel van het oude graafschap Vlaanderen bleef nu definitief in het bezit van het Franse vorstenhuis. Niettegenstaande de staatkundige scheiding bleven uiteraard steeds contacten bestaan tussen Vlaanderen en de Franse Nederlanden. De rol die hierin werd gespeeld door kerkelijke instanties was aanzienlijk: talrijke abdijen in de Franse Nederlanden - denken we bvb. aan Corbie en Sint-Omaars- hadden talrijke bezittingen in onze gewesten en door de staatkundige scheiding werd die economische band helemaal niet doorbroken. De dekenijen Belle, Bergen en Kassel maakten deel uit van het in 1561 opgerichte bisdom Ieper en ook daardoor werden de contacten weerszijden de grens bestendigd. De culturele banden, in de hand gewerkt door de gemeenschappelijke taal, werden uiteraard ook niet meteen van de kaart geveegd: denken we maar aan de Rederijkerskamers, die over de staatsgrens heen zeer nauwe banden met mekaar bleven onderhouden. We hebben zeer sterk de indruk dat de modale burger zich eigenlijk weinig van deze staatsgrens heeft aangetrokken.Genealogen zullen ongetwijfeld geïnteresseerd zijn in een artikel van Frank Logie, in 1986 verschenen in het tijdschrift De Franse Nederlanden onder de titel: Grens en sociale relaties: huwelijkskringen als voorbeeld van de sociale invloed van staatsgrenzen. Zijn onderzoek van de huwelijksregisters van de agglomeraties Menen-Halewijn en Wervik-Wervik-Zuid heeft aangetoond dat, zeker in de 19de eeuw, geregeld huwelijkspartners werden gezocht aan de andere kant van de grens. De staatsgrens werd hier helemaal niet als een soort Berlijnse muur ervaren. De sociale contacten tussen Belgen en Fransen worden door de auteur opperbest genoemd. Historisch en genealogisch onderzoek moet hier onvermijdelijk weerszijden de grens gebeuren. Eveneens in het tijdschrift De Franse Nederlanden heeft de Gentse hoogleraar Chris Vandenbroeke in 1993 een artikel gepubliceerd onder de titel: Migraties tussen Vlaanderen en Noord-Frankrijk in de negentiende en twintigste eeuw. Hierin heeft hij zeer interessant cijfermateriaal gepubliceerd over de Belgische vertegenwoordiging in het département du Nord en meer bepaald in een aantal belangrijke industriecentra. Hij berekende dat omstreeks 1850 40% van de bevolking van Roubaix bestond uit Vlamingen. In Wattrelos ging het om 37%, in Halewijn eveneens 37%, in Tourcoing 22%, in Rijsel 3% en in Wazemmes 38%. Deze cijfers spreken eigenlijk voor zich en bevestigen eens te meer het belang van deze streek voor historisch en genealogisch onderzoek vanuit Vlaanderen.
Historisch en genealogisch onderzoek kan enkel op een verantwoorde manier gebeuren wanneer het wordt geschraagd door een minutieus bibliografisch onderzoek. Regelmatige lectuur van tijdschriften, zeker wanneer ze ook geregeld bibliografische overzichten bevatten, valt zeker aan te raden. Twee voorbeelden, naast vele andere: het tweetalige tijdschrift De Franse Nederlanden - Les Pays-Bas Français, uitgegeven door de stichting Ons Erfdeel, biedt niet alleen interessante artikels, die het domein van de geschiedenis en genealogie weliswaar overschrijden, maar biedt ook jaarlijks een vrij uitgebreid bibliografisch overzicht, voorzien van annotaties. Een ware must voor al wie van ver of nabij in het gebied is genteresseerd. Het beste historisch tijdschrift dat in het gebied zelf wordt uitgegeven is ongetwijfeld de Revue du Nord, gepatroneerd door de universiteit van Lille III. In principe wordt afwisselend een historisch en een archeologisch nummer gepubliceerd en geregeld verschijnen ook bibliografische overzichten. Regelmatige lectuur van dit tijdschrift valt eveneens ten zeerste aan te bevelen. Speciaal ter attentie van de genealogen dient uiteraard ook op het tijdschrift "Westhoek" te worden gewezen, een driemaandelijks tijdschrift voor geschiedenis en familiekunde in de Vlaamse en Franse Westhoek, dat thans aan zijn dertiende jaargang toe is; "Merghelynck", het driemaandelijks mededelingenblad van de Vlaamse Vereniging voor familiekunde in de Westhoek en de tijdschriften "Bachten de Kupe" en "Onze Westhoek". Andere nuttige werkinstrumenten voor genealogen zijn de publikaties van W. Van Hille , voornamelijk zijn poortersboeken van de Zuidelijke Nederlanden en de reeks "Tablettes de Flandre", die voor de familiekundige onuitputtelijke informatie bevat.Allicht minder bekend is het feit dat zich aan de universiteit Lille III te Villeneuve d' Ascq het Centre d' Histoire de la Région du Nord et de l' Europe du Nord-Ouest bevindt. Dit centrum bestaat uit een bibliotheek, een documentatiecentrum en een onderzoekscentrum. Onderzoekers van alle slag kunnen er terecht en maken o.a. dankbaar gebruik van een zeer uitgebreid documentair steekkaartensysteem. Sinds 1982 verschijnt onder auspiciën van dit centrum jaarlijks de uitgebreide "Bibliographie d' histoire régionale (Nord/pas-de-Calais/Somme)". Voor alle duidelijkheid wil ik stellen dat ook de genealogie in deze jaarlijkse bibliografie sterk aan bod komt. Een bezoek aan dit centrum is een echte aanrader: allicht een tip voor een van de volgende uitstappen van VVF Kortrijk.Voor wie het minder ver wenst te zoeken kan uiteraard worden gewezen op de bibliotheek de Franse Nederlanden aan onze eigenste KULAK. Deze bibliotheek die - hoeft het in dit gezelschap nog te worden herhaald- voor iedere belangstellende toegankelijk is, bestaat in eerste instantie uit de nalatenschap van de Frans-Vlaamse voorman Jean-Marie Gantois (1904-1968). Hoe men ook staat tegenover zijn politiek-ideologische opvattingen, het is een vaststaand feit dat Gantois een enorme studax was en in de loop der jaren een aanzienlijke bibliotheek heeft opgebouwd, voornamelijk gespecialiseerd in geschiedenis, letterkunde en aanverwante domeinen. Gantois heb ik één keer ontmoet - ik was toen pas zestien jaar- en bij die gelegenheid liet hij me vol trots zijn bibliotheek zien. Ik kan niet ontkennen dat dit bezoek een zeer sterke indruk op me heeft gemaakt en de roeping om geschiedenis te gaan studeren, die toen reeds sluimerend aanwezig was, zeker heeft bevorderd. Door een zeer gelukkig toeval is deze bibliotheek na de dood van Gantois in de KULAK terecht gekomen. Ze lijdt er helemaal geen slapend bestaan: niet alleen werd de bibliotheek op een wetenschappelijk verantwoorde manier ontsloten, maar ze wordt ook zeer geregeld met nieuwe werken aangevuld. Ik ben ervan overtuigd dat ook genealogen in deze bibliotheek hun gading kunnen vinden.Parallel met de bibliotheek werd aan de KULAK ook een "Archief de Franse Nederlanden" uitgebouwd. Jean-Marie Gantois zelf heeft weliswaar zijn hele persoonlijk archief vernietigd, maar door een intensieve prospectie, geleid door de toenmalige bibliothekaris dr. Eric Defoort, kon toch heel wat archief en documentatie i.v.m. de Franse Nederlanden, hetzij in origineel, hetzij in copie worden verzameld. Zelf heb in 1995 de "Inventaris van het archief De Franse Nederlanden" gepubliceerd, uitgegeven door het Algemeen Rijksarchief te Brussel. Aan de hand van de hierin beschreven archiefstukken kan vernieuwend onderzoek gebeuren i.v.m. de geschiedenis van de regionalistische beweging in de Franse Nederlanden. Deze globale geschiedenis moet eigenlijk nog worden geschreven, terwijl vroegere pogingen hiertoe zeer sterk politiek-ideologisch gekleurd waren. Genealogen zullen in dit archief spijtig genoeg minder aan hun trekken komen. Wel willen wij erop wijzen dat een aantal oude handschriften en drukwerken de liefhebbers van volkskunde zeker zullen plezieren: zo is er bvb. interessant materiaal over de rijke liederenschat van de Frans-Vlamingen of kan men er interessante aanduidingen vinden over de Rederijkerskamers. Wie zowel historisch als genealogisch in de Franse Nederlanden is geïnteresseerd kan uiteraard ook in de Belgische Rijksarchieven terecht. Eind jaren 70- begin jaren 80 was onder auspicïen van het Komitee voor Frans-Vlaanderen te Waregem de "Werkgroep Archiefstudie de Franse Nederlanden" onder mijn voorzitterschap actief. Het was een BTK-project, onderhevig aan alle voor- en nadelen die hieraan inherent waren. De ambitie was helemaal niet gering: er zouden overzichten worden gemaakt en gepubliceerd van alle mogelijke bronnen betreffende de Franse Nederlanden aanwezig in Belgische archiefdepots. De medewerkers waren een jonge bonte bende, de een al wat meer ondernemend als de ander; sommigen werkten een paar jaar mee, anderen slechts een relatief korte periode. Op drie jaar tijd werden duizenden steekkaarten gemaakt, die een beeld geven van de enorme rijkdom aan archiefmateriaal betreffende de Franse Nederlanden die zich in de Belgische Rijksarchieven bevindt. Raadpleging van deze steekkaarten is niet alleen voor historici interessant; genealogen zullen met vrucht kunnen putten uit de vele gegevens die werden bijeengesprokkeld uit inventarissen van familiearchieven. De werkgroep "Archiefstudie de Franse Nederlanden" heeft twee inventarissen gepubliceerd: een over de Franse Nederlanden in het archief van de Raad van Vlaanderen (bewaard in het Rijksarchief te Gent) en een andere over bronnen voor de geschiedenis van Belle in Belgische archiefdepots. Het BTK-project kon na drie jaar spijtig genoeg niet meer worden verlengd en bij gebrek aan fondsen moest ook de publikatie van inventarissen worden stopgezet. De steekkaarten bevinden zich thans in het cultuurcentrum te Waregem en ik verheel niet dat ik dit eigenlijk een spijtige zaak vind: ze zijn daar niet op hun plaats. Vanavond kan ik aankondigen dat in een nabije toekomst stappen zullen worden ondernomen om deze steekkaarten te recupereren en ze onder te brengen in een meer geschikte bibliotheek of archiefcentrum. Meer nog: ik hoop dat in een nabije toekomst de draad terug kan worden opgenomen en dat het project op een meer professionele manier kan worden verder gezet. In de Belgische archiefdepots liggen immers nog massa's onontgonnen materiaal.Laat me dit illustreren aan de hand van één concreet voorbeeld. Talrijke abdijen in de Franse Nederlanden, we vermeldden het reeds, hadden ook uitgebreide bezittingen in onze gewesten. Wat heeft zich daar, na de staatkundige afscheiding, precies voltrokken? Het is een onderwerp dat tot nog toe nog nauwelijks is bestudeerd en waar nochtans interesse voor bestaat. Zo is bvb. voor het ogenblik in Corbie een werkgroep erg actief om de geschiedenis van de plaatselijke abdij te bestuderen. Deze abdij had aanzienlijke bezittingen in Langemark en uiterst waardevol archiefmateriaal wordt dienaangaande bewaard in het Rijksarchief te Brugge. Dit is uiteraard een gedroomd onderwerp om aan grensoverschrijdend historisch onderzoek te gaan doen. Wellicht biedt één of ander interreg-project de mogelijkheid om dit in de toekomst concreet gestalte te geven.Genealogen zullen misschien opwerpen dat dit allemaal ver van hun bed is en dat abdijarchieven weinig interessant materiaal voor hen bevat. Niets is minder waar! Terecht gaan genealogen van de veronderstelling uit dat paters en kloosterzusters geen nageslacht voortbrachten en dus dode takken aan de stamboom zijn, maar abdijarchieven overstijgen uiteraard ruimschoots de religieuze sfeer. Het beheer van hun domeinen had niets met religie te maken maar was een puur economische aangelegenheid. Wie het geluk heeft dat een voorvader een pachthoeve van een abdij uitbaatte, allerhande klusjes voor haar opknapte of om welke reden ook in een proces tegen haar verzeild raakte kan in abdijarchieven onvermoed interessant materiaal voor zijn familiegeschiedenis terugvinden. Historici en genealogen die met hun onderzoek in de Franse Nederlanden terecht komen zullen vroeg of laat toch opzoekingen moeten gaan verrichten in Franse archiefinstellingen. Het is daarom allicht niet overbodig eerst even de situatie te schetsen van het archiefwezen in Noord-Frankrijk. Laat ons eerst even de toestand bekijken in de gemeentearchieven in de regio Nord-Pas-de-Calais. Veel meer dan bij ons wordt het archiefwezen in Frankrijk gekenmerkt door een verregaande reglementering en een centraal gevoerd beleid. Waar hier soms de meest onvoorstelbare chaos heerst, is er in Frankrijk een opvallende eenvormigheid op het gebied van de ontsluiting van archieven. Wat een luxe voor de vorser! De burgemeesters in de gemeenten zijn persoonlijk verantwoordelijk voor de archiefzorg, maar de ambtenaren die in concreto belast zijn met het archiefbeheer krijgen hun werkvoorschriften en richtlijnen van de Direction des Archives de France. Zo krijgen de gemeenten duidelijke voorschriften inzake openbaarheid van hun archieven en , zoals reeds vermeld, over het te volgen archiefschema. De directeur van de Archives Départementales is belast met het toezicht en inspecteert op geregelde tijdstippen de gemeentearchieven.Waar hier nog veel meer terughoudenheid bestaat zijn de archieven in Frankrijk in principe dertig jaar na hun ontstaan vrij raadpleegbaar. Bronnen die van wezenlijk belang zijn voor genealogen zoals documenten met familiale gegevens opgemaakt ter voorbereiding van tellingen en statistieken en registers van de burgerlijke stand kunnen nochtans pas na honderd jaar worden geraadpleegd. Voor personeelsdossiers en medische dossiers geldt nog een veel langer embargo: 150 jaar.De Direction des Archives de France heeft de gemeentearchieven ingedeeld in drie categoriën. Een eerste categorie bestaat uit archieven van steden met meer dan 100000 inwoners en kleinere steden met een belangrijk historisch verleden, zoals Douai. Deze steden beschikken over een archiefdienst onder de leiding van een archivaris-paleograaf, opgeleid aan de Ecole des Chartes. Archieven van steden en gemeenten met 20000 tot 100000 inwoners en van minder dan 20000 inwoners worden beheerd door een archivaris-documentalist. Het gaat om personen die een archief- en documentatie-opleiding volgden, hetzij aan de universiteit van Lyon, hetzij aan die van Mulhouse. Mulhouse is wel gespecialiseerd in de opleiding van gemeentearchivarissen. Gemeenten van minder dan 2000 inwoners zijn verplicht hun stukken van meer dan 100 jaar te deponeren in het departementaal archief. Bij manifest wanbeheer kunnen archieven van grotere gemeenten ook door het departementaal archief worden opgevorderd.Dit is de theorie, maar het spreekt vanzelf dat de werkelijkheid er soms helemaal anders uitziet. Veel gemeenten beschikken inderdaad niet over de nodige financiële middelen om een behoorlijke archiefdienst uit te bouwen. In het beste geval dienen de plaatselijke bibliotheken of mediatheken dan als een soort "opvangcentrum" om er het archief in onder te brengen. In heel wat andere gevallen is er de complete chaos, vergelijkbaar met de toestand die we helaas bij ons ook nog in talrijke gemeenten aantreffen. Laten we een aantal Noordfranse gemeentearchieven die ook voor Vlaamse historici en genealogen interessant materiaal bevatten even naderbij bekijken. Douai of Dowaai en Duinkerke beschikken over echte archiefdiensten. De documenten zijn er vrij en permanent toegankelijk voor de vorsers, worden in goede omstandigheden bewaard en worden beheerd door gekwalificeerd personeel. Beide archiefdiensten hebben, zoals wel vaker het geval is, met een chronisch plaatsgebrek te kampen. Dowaai en Duinkerke bewaren het eigenlijke stadsarchief respectievelijk vanaf de 13de en de 16de eeuw. Daarnaast beheren ze ook andere interessante bestanden: zo wordt in Dowaai hospitaalarchief bewaard vanaf 1236, terwijl men in Duinkerke diverse bescheiden aantreft betreffende de havenactiviteiten en in verband met de architecturale heropbouw na de tweede wereldoorlog. Beide archiefdiensten verzamelen ook op een vrij intensieve manier iconografisch materiaal en allerhande drukwerk. In beide archiefdiensten behoren ook preservatie en restauratie tot de voorname aandachtspunten van de archivarissen. Preservatie bestaat uit het microfilmeren van parocieregisters, registers van de burgerlijke stand en andere waardevolle stukken. De stadsbesturen van beide steden voorzien ook geregeld in speciale kredieten wanneer tot de restauratie van belangwekkende archiefbescheiden dient te worden overgegaan. Bij de inventarisatie wordt vooral aandacht besteed aan de bescheiden uit de periode 1790-1940: deze worden per onderwerp in grote reeksen ingepast en gedetailleerd beschreven. Het spreekt vanzelf dat ook de informatica hier langzaam maar zeker haar intrede doet bij het inventariseren. De archiefdiensten te Duinkerke en Dowaai zien voor zichzelf ook ruimere culturele en educatieve opdrachten weggelegd: rondleidingen en lezingen in de eigen dienst, tentoonstellingen enz. Meer specifiek in Duinkerke bestaat er ook een zeer nauwe relatie met de plaatselijke historisch-archeologische kring. Tussen haakjes: de Duinkerkse historische kring nodigt geregeld Vlaamse historici uit om in haar tijdschrift te publiceren of er lezingen te houden. Duinkerke en Dowaai kunnen beschouwd worden als lichtende voorbeelden voor een goed archiefbeheer. In andere steden is de toestand heel wat minder gunstig. In Arras of Atrecht werden de archiefbescheiden overgedragen aan de plaatselijke mediatheek en aan het departementaal archief. In de kelders van het nieuwe administratief centrum is wel ruimte voorzien voor een archief- en documentatiedienst, maar dan enkel voor de hedendaagse stukken. Het gaat hier in wezen om een dienst voor het dynamisch archief, die vooral werkt ten behoeve van de administratie. In Saint-Omer of Sint-Omaars ligt het oud archief in de bibliotheek. Spijtig genoeg moeten we vaststellen dat het er in de praktijk onbeheerd ligt en dus in feite niet raadpleegbaar is. Erger nog: enkele registers werden uit de logische samenhang met het archief losgetrokken en werden ondergebracht in de handschriftencollectie van de openbare bibliotheek. Dat er een wezenlijk onderscheid is tussen een handschrift en een archiefstuk is de verantwoordelijken aldaar klaarblijkelijk ontgaan.Een ander schrijnend verhaal is Sint-Winoksbergen. Daar werden in het stadhuis weliswaar een paar lokaaltjes vrijgemaakt voor de historische stukken, maar de archivaris is tegelijk bibliothekaris en conservator van het museum: het is toch zonneklaar dat we hier met drie totaal verschillende domeinen te maken hebben en het is evident dat de arme man teveel opdrachten heeft om een goed en effectief archiefbeheer uit te bouwen. De gewezen stadsarchivaris Thérèse Vergriete, ook in kringen van Vlaamse genealogen welbekend, heeft ooit berekend dat zich hier niet minder dan 26 ton archief bevindt. In een in 1982 gepubliceerd artikel in het tijdschrift De Franse Nederlanden stelde ze dat het hier weliswaar om een belangrijk archief gaat, maar dat sinds 1790 veel verloren ging. Vergriete publiceerde niet alleen een nieuwe inventaris van het archief, maar ook een aantal repertoria die met veel vrucht door genealogen kunnen worden geraadpleegd: poorterslijsten, registers van eigendommen enz. Sinds haar op rust stelling gebeurt er opvallend minder in het archieflandschap te St.-Winoksbergen. Jaarlijks heeft er nog wel een bijeenkomst van conservatoren plaats, ook met Belgische collega's, maar meer als een gezellig onderonsje kan dit bezwaarlijk worden genoemd. Het rijtje kan rustig nog wat verder worden gezet: in Kassel is de toestand echt niet rooskleuriger en persoonlijk heb ik het nog meegemaakt hoe in Hondschote het archief alleen kon worden bezocht onder de hoede van een lichtjes beschonken rijkswachter, die na 5 minuten in een gelukzalige slaap verzonken was. Het verdonkermanen van een aantal uiterst interessante 16de-eeuwse archiefstukken was onder die omstandigheden eigenlijk een koud kunstje geweest. Gelukkig is de toestand niet overal even erbarmelijk. Zonder hierover verder in detail te treden willen we toch even vermelden dat de laatste jaren goed functionerende stadsarchiefdiensten werden uitgebouwd te Tourcoing, Valenciennes en Rijsel.ARCHIVES DEPARTEMENTALES DU NORD
Terloops willen we er ook even op wijzen dat er in het Noorderdepartement ook een groot archief- en documentatiecentrum bestaat voor de bedrijfsgeschiedenis: het te Roubaix gevestigde "Centre des archives du monde du travail". In het kader van deze lezing dient onze aandacht nochtans vooral uit te gaan naar de Archives Départementales du Nord te Rijsel. Het huidige, 9 verdiepingen tellende archief, werd gebouwd in 1961 en bood plaats aan 36 km. archief. In 1986 werd een annex gebouwd die nog eens plaats bood aan 25 strekkende km. Het ziet er naar uit dat ook deze ruimte binnen de kortste keren volledig in beslag zal zijn genomen; de jaarlijkse angroei bedraagt inderdaad 1,5 km. Ter vergelijking: in het Rijksarchief te Brugge bevinden zich 6 strekkende km. De Archives Départementales du Nord beschikken over een staf van 30 à 35 personen; in Brugge zijn we met 10 (waarvan 3 niet voltijds werken). De leeszaal te Rijsel telt 78 zitplaatsen, waarvan 23 voorzien van toestellen voor het raadplegen van microfilms; er bieden zich jaarlijks ca. 3000 lezers aan, die samen ca. 35000 bezoeken afleggen; in Brugge zijn er momenteel 34 zitplaatsen, verdeeld over 2 leeszalen, en bieden zich jaarlijks ca. 400 lezers aan. Het aantal inschrijvingen zowel te Rijsel als in de Archives Départementales du Pas-de-Calais te Atrecht behoren tot de hoogste in heel Frankrijk. De leeszalen van beide archiefinstellingen zijn open van maandagmorgen tot zaterdagmiddag. Er is wel een jaarlijkse sluitingsperiode, met name de eerste twee weken van juli; ook de eerste maandag van september is de leeszaal te Rijsel dicht. Zoals de huidige Belgische Rijksarchieven vonden ook de Franse departementale archieven hun ontstaan tijdens de Franse Revolutie: het was de bedoeling dat in de hoofdplaats van ieder departement de archieven van alle afgeschafte instellingen zouden worden ondergebracht. Het oudst bewaarde stuk dateert van 804. Tot de merkwaardigste stukken behoren ook vier keizersoorkonden met gouden bullen. Tot de allerbelangrijkste archieven die hier een onderdak vonden behoorden die van de Rekenkamer van Rijsel, in 1386 opgericht door Filips de Stoute. Op het belang van dit uitermate interessant archiefbestand komen we later nog even terug. Deze bestanden werden bij het begin van de 19de eeuw aangevuld met verzamelingen uit het Ancien Régime die tot dan toe verspreid bewaard waren bvb. het archief van het aartsbisdom Kamerijk dat teruggaat tot het begin van de 9de eeuw. Later werden hier nog talrijke andere administratieve bescheiden en archiefstukken van allerlei aard aan toegevoegd. Het zal genealogen allicht interesseren te vernemen dat er zich in de ADN meer dan 1000 familiearchieven bevinden. Archieven van de burgerlijke stand en notariaatsarchief dienen verplicht te worden neergelegd.Nog even iets over het archief van de Rekenkamer van Rijsel. Dit archief kan zonder meer als een onuitputtelijke bron voor het historisch onderzoek worden beschouwd. In een artikel over het archief van de Rekenkamer, in 1997 gepubliceerd in het tijdschrift "De Franse Nederlanden" schreef Mireille Jean dat in de eerste plaats de algemene geschiedenis van onze provinciën voordeel heeft gehad bij dit archief, hoewel het bronnenmateriaal nog verre van uitgeput is. Volgens haar zal het aanboren van financiële en boekhoudkundige bronnen nog onvermoede perspectieven openen. Boekhoudkundige stukken kunnen ook helpen bij het schrijven van de militaire en maritieme geschiedenis. En wat te zeggen over de mogelijkheden die hierin vervat liggen voor de kunstgeschiedenis, de economische en sociale geschiedenis enz.? Volgens Mireille Jean heeft ook de instellingengeschiedenis de mogelijkheden van dit archief nog niet opgebruikt. Ook voor biografische en genealogische studies kan nog veel materiaal worden gevonden in dit archief. In de zogenaamde "Trésor des chartes" bevinden zich huwelijkscontracten, testamenten, genealogische titels enz.; in de "Registres des chartes" en de "Registres de l' audience" bevinden zich stukken i.v.m. naturalisaties, legitimeringen, toekenning van wapenschilden enz.; in de "Registres aux commissions" en de "Registres aux mémoires" boedelbeschrijvingen, testamentaire uitvoeringen enz. Er is dus duidelijk voor elk wat wils, zeker ook voor de genealogen. Laat U vooral niet afschrikken: in de uitgebreide analytische inventarissen vindt men makkelijk zijn weg. Evenals bij ons is ook hier de genealogical society van de Mormonen actief geweest. Alle parochieregisters en registers van de burgerlijke stand, zowel die bewaard in de ADN als in de steden en gemeenten moesten op 35mm film worden gebracht. Het werk werd reeds voltooid in het département du Nord, maar is nog volop aan de gang in de Pas-de-Calais. In het département du Nord werden ca. 100000 m. microfilm geproduceerd, die ca. 2 miljoen opnames vertegenwoordigen. Deze microfilms kunnen in de leeszaal van de ADN worden geraadpleegd voor de totaliteit van de 652 gemeenten van het Noorderdepartement. Er is ook een collectie dubbels van deze microfilms voorhanden: deze kunnen via een postzending in alle Franse bibliotheken en archieven worden ontleend. Het spreekt vanzelf dat het werk van de vorsers hierdoor aanzienlijk wordt vergemakkelijkt en het systeem van ontlening kent dan ook een zeer groot succes.De originele archiefstukken dienen uiteraard ter plaatse te worden geraadpleegd. Naast de eigenlijke archiefstukken kan ook gebruik gemaakt worden van een bibliotheek met ca. 40000 boeken betreffende de regionale geschiedenisIn de ADN te Rijsel zijn voor het ogenblik niet minder dan 600 onderzoeken op universitair niveau aan de gang. Worden de andere categoriën lezers daardoor in de steek gelaten? heel zeker niet! Er is een uitgebreide educatieve dienst, vooral op de scholen gericht, maar ook voor het grote publiek worden geregeld rondleidingen georganiseerd. Van oktober tot mei worden één keer in de maand cursussen paleografie gegeven. Scholen en verenigingen kunnen ook gratis gebruik maken van een ruim aanbod aan rondreizende tentoonstellingen met panelen, pedagogische dossiers, videocassettes enz. Tenslotte wil ik nog even specifiek aandacht besteden aan het genealogisch onderzoek. Hier, zoals op andere domeinen is ook de opmars van de informatica niet meer tegen te houden. Het valt te verwachten dat de genealogen van de 21ste eeuw hun stamboom thuis vanuit hun luie stoel zullen kunnen opmaken; een druk op de knop van de PC zal hiertoe volstaan. Heel binnenkort zal vanuit het Rijksarchief te Brugge in samenwerking met het Rijksarchief te Zeeland een gemeenschappelijk automatiseringsproject van start gaan, vertrekkend vanuit de gegevens die vervat zijn in de huwelijksregisters. Waarom zou het in de toekomst niet mogelijk zijn een dergelijk project ook in samenwerking met de A.D.N. op te starten?Voor genealogen kan het zeker interessant zjn te wijzen op het bestaan van "Les Sources Généalogiques et Historiques des Provinces du Nord", een vereniging die zich ten doel heeft gesteld de historische en genealogische kennis van families en lokaliteiten in Noord-Frankrijk te bevorderen. Sinds enige tijd beschikt deze verebiging ook over een site op het Internet onder de benaming "www.genenord.tm.fr". Deze vereniging wordt gerund door vrijwilligers en stelt voor het ogenblik reeds een boel interessante informatie ter beschikking van de vorser. Zo werden voor het terugvinden van huwelijken diverse categoriën indices voorzien: men kan zoeken op naam van de man of de vrouw, de plaatsnaam of de datum. Voor het ogenblik zijn reeds 250.000 huwelijken beschikbaar en de gegevens worden geregeld aangevuld.Via dezelfde toegang op het Internet kan ook nuttig gebruik worden gemaakt van de gegevensbank "Nordbib", die voor het ogenblik reeds 40000 trefwoorden bevat. Voor het samenstellen van deze gegevensbank kon de vereniging rekenen op de welwillende medewerking van bibliothekarissen en archivarissen. Er zijn niet alleen bibliografische referenties in vervat, maar ook analyses van diverse archiefbestanden. De genealoog vindt er o.a. het repertorium van tafels van de in de ADN bewaarde parochieregisters, opgemaakt door verenigingen en particulieren. De mogelijkheid bestaat te zoeken op plaatsnaam, persoonsnaam of onderwerp. Naast "Nordbib" bestaat ook "Nordfilm": het is een gegevensbank ontstaan en aangevuld uit een samenwerkingsverband tussen "Les Sources Généalogiques et Historiques des Provinces du Nord" en archivarissen. Deze gegevensbank biedt o.a. een overzicht van de door de Mormonen aangemaakte microfilms. "Nordfilm" bevat voor het ogenblik 10000 gegevens.Nog een toemaatje: de site genenord bevat ook een rubriek "kleine aankondigingen". Ze staat ter beschikking van alle geïnteresseerden, maar uiteraard gaat het om puur genealogische aangelegenheden. Vragen van beroepshistorici en -genealogen worden uit deze rubriek geweerd. Telkens wordt ook de mogelijkheid voorzien om in contact te treden met de persoon of vereniging die de gegevens aan genenord heeft verstrekt.Hiermee hoef ik niet nogmaals te herhalen dat de genealogie in volle beweging is. Met goede contacten tussen genealogen, bibliothekarissen en archivarissen over de grenzen heen is iedereen gebaat.Met dank aan de HeerM. NUYTTENS